Uit: “Vertel mij wat van Scheveningen…” van Piet Spaans en Gijs-Bert van der Toorn

De stadhouder

Men spreekt soms over ‘Vlaggetjesdag’ alsof deze al honderden jaren wordt gevierd. De feestelijkheden rond het begin van de haringvisserij zijn echter lang zo oud nog niet. Tenminste als we op zo’n dag een onderscheid willen maken tussen georganiseerde - en ongeorganiseerde feestelijkheden. De auteur J.C. Vermaas vermeldt in zijn ‘Geschiedenis van Scheveningen’ niets over een feest dat Vlaggetjesdag wordt genoemd. Maar een tweetal gedichten uit zijn boekwerk vertellen er zijdelings toch wel iets over. Eerst het volgende. In 18e eeuw gold voor de dorpen aan de kust, waaronder Scheveningen, een verbod, de gevangen haring te kaken. Om een te grote aanvoer van verse haring te vermijden, bleven de meeste schuiten destijds een deel van de zomer 005 Geschiedenis 5
vissen op plat- of rondvis. Rond september was de haring het meest geschikt om tot bokking te worden verwerkt. Slechts 8 of 10 schuiten vertrokken in die tijd ter haringvangst. Zo lagen op 14 september 1781 een tiental ‘schuiten’ gereed voor de afvaart. Stadhouder Willem V was, zoals dikwijls, bij de afvaart aanwezig. De vissers stelden dat zeer op prijs. Dat blijkt uit een Schevenings dichtwerk van die tijd. Het gedicht, getiteld ‘Een nieuw Lied op het afvaren der schuiten tot de Versche-HaringVangst te Scheveningen’ vertelt het een en ander.

Zo staat in het derde couplet te lezen:
 005 Geschiedenis 6
   
[...]Toen kwam de vorst aan den oever der baaren. Om de schuitjes daar te zien, Die haar vlaggen ook lieten waaien, zeer net en deftig alle tien [...]

Het vierde couplet vervolgt:

[...] Toen voeren zij door Neptunus baaren, Maar twee schuitjes uit de vloot, Kwamen weer na Schevening toegevaaren, Daar men de Prins toen eerbied bood [...]

Het vijfde couplet heeft nog een verrassing in petto:

[...] Maar de eerste haring, die zij vangen, Die is gewis voor onze prins [...]

Uit het gedicht komen enige herkenbare elementen naar voren. Men liet de vlaggen waaien: een soort Vlaggetjesdag dus. Na de afvaart komen twee schuiten terug om de Prins (stadhouder) eer te bewijzen. Met wat fantasie zou dit kunnen worden vergeleken met het ‘admiraalzeilen’. En tenslotte nog de opmerking dat de eerste haring welke zij vangen voor de Prins bestemd zal zijn. Deze geste wijkt in feite weinig af van wat wij tegenwoordig het aanbieden van ‘koninginneharing’ noemen.

Een fragment uit een ander gedicht over hetzelfde vertrek in 1781 vertelt ons:

[...] Wij vlagden allen aan ons Boord, En branden vuuren ongestoord [...]

Opnieuw dus vlaggen. En het ontsteken van vuren bij een vertrek was al heel ongewoon. Was hier sprake van een primitieve feestverlichting zoals we dat later ook aan de havens kenden, maar dan met de scheepsverlichting en de schijnwerpers? Het is niet uitgesloten dat in de 18e eeuw zo’n gebeuren meerdere malen is voorgekomen. Meer is daarover echter niet bekend. De mogelijkheid bestaat dat het alleen plaatsvond tijdens een bezoek van een Oranjevorst. Niemand heeft echter destijds dergelijke gebeurtenissen uitvoerig vastgelegd. Van een verslaggeving door iemand uit Den Haag is evenmin sprake geweest. Dit noodzaakt ons een grote sprong in de tijd te maken. Ruim honderd jaar.

Job van der Ende

De bovengenoemde scheepstimmerman uit het Scheveningen van begin 20e eeuw geeft ons een redelijk beeld van de scheepsbouw uit zijn jeugd. Van der Ende was in het begin van de vijftiger jaren een niet onverdienstelijke modelbouwer van scheepstypen, zoals bommen en loggerbommen. Ruim twintig stuks van deze modellen wilde Van der Ende destijds gebruiken voor een tentoonstelling. Hij noemde het geheel een diorama. Dit diorama moest een vanuit zee waargenomen opgetuigde bommenvloot voorstellen, liggend op het strand. Zijn denkbeeld ging daarbij terug naar een Vlaggetjesdag uit het jaar 1894. Voor wat betreft de naamgeving van zo’n dag in 1894 sloeg hij de plank mis. Maar daarover later.

De bommen, op schaal gemaakt voor zijn diorama, waren bijna gereed voor het afvaren ter haringvisserij. Tijdens het aanschouwen van het diorama moest de bezoeker zich wanen aan het strand van Scheveningen en wel even voor Pinksteren in 1894. De bommen waren keurig geverfd en geteerd. In de Pinksterweek werden de schepen uitgerust met lange pronkvanen, die in blauw of rood in de toppen van de masten hingen. Aan de giek werden nog, ter versiering, breeltjes (drijvers voor de netten) gehangen. Daarbij kwamen nog de blauwe zoutvlaggen, oranjevlaggen en de nationale driekleur. Al naar gelang meer schepen gereed kwamen werd ook meer gevlagd. Er was dan ook sprake van een ‘vlaggenweek’, aldus Van der Ende. Kleine zelfstandigen uit Scheveningen en uit Den Haag grepen deze gelegenheid aan tot de verkoop van poffertjes, wafels en zoetwaren. Boeren en tuinders uit het Westland en verdere omgeving kwamen met vrouw en kinderen op bespannen sjezen het strand bezoeken.

Maar de tentoonstelling van het diorama ging door allerlei omstandigheden niet door. De versierde bomschuiten van Van der Ende kwamen terecht in musea. Van der Ende vermeldt echter niet of zijn terugblik betrekking had op een jáárlijks gebeuren rond het begin van het haringseizoen. Nog minder rept hij over een bezoek van een Oranjevorst. Dat Van der Ende zijn terugblik op de eindjaren van de 19e eeuw niet uit zijn duim heeft gezogen, blijkt uit een artikel in het Dagblad voor Zuid-Holland en ‘s-Gravenhage van 16 mei 1894. Daarin staat vermeld dat juist een dag tevoren de bommen al op het strand lagen met lustig fladderende wimpels in een zwakke westelijke bries.

Verder schrijft het blad nog dat daarachter langs den straatweg de eerste rij schuiten eveneens opgetooid lag ter toerusting voor de reis.

De jaren na 1900

Na de eeuwwisseling werd de 1e Binnenhaven aangelegd. Het eerste vertrek naar de haringgronden vanuit die haven was in het voorjaar van 1905. Vermeldingen van feestelijkheden rond het begin van de haringvisserij in dat jaar zijn niet gevonden. Men dient met foto’s uit die tijd op te passen. Een haven vol bomschuiten en zeilloggers met hun gebruikelijk gevoerde pronkvanen doen al snel een Vlaggetjesdag vermoeden zonder dit in werkelijkheid te zijn. De jaren tussen 1910 en 1930 laten evenmin feestelijkheden zien rond het begin van de haringvisserij. Indien dit wel zo is geweest dan is daar in ieder geval via de pers geen aandacht aan besteed.

Van het jaar 1931 mocht worden verwacht dat het raak zou zijn met feestelijkheden. Echter nadat de 2e Binnenhaven in april feestelijk was geopend sloeg de nuchterheid weer toe. Op 7 mei vertrok een Zoutkamper vaartuig met schipper D. Pronk zonder drukte als eerste ter haringvisserij vanuit Scheveningen. Al snel werd hij gevolgd door de SCH 198 van S. Taal, eveneens zonder veel drukte. Een onderzoek over de dertiger jaren blijkt niets op te leveren. Er moest opnieuw een sprong in tijd worden gemaakt.

Het behoeft nauwelijks betoog dat in 1945 nog geen feestelijkheden rond de haringvisserij konden plaatsvinden. In mei van dat jaar was het grootste gedeelte van de vloot nog zoek vanwege de vordering van zeeschepen door de Duitse bezetter. Daarnaast maakte materiaalschaarste het volledig uitoefenen van de haringvisserij pas later in die zomer mogelijk. Ook in 1946 was er nog geen reden tot het houden van festiviteiten rond de haringvisserij. Het aantal loggers dat aan de activiteiten kon deelnemen was wel flink toegenomen, maar het eerste naoorlogse arbeidsconflict in deze branche had zich te Scheveningen aangediend. Oorspronkelijk was het tijdstip waarop de Scheveningse loggers naar zee zouden gaan vastgesteld op 7 mei. Een conflict tussen de vissers en reders, hoofdzakelijk over het laden en lossen der schepen, vertraagde het vertrek. Vervolgens zorgde een geschil over een rustperiode tussen twee reizen in ervoor dat de vloot pas, ploegsgewijs, op 23 en 25 mei vertrok. Op 10 mei 1947 meldde de pers:

[...]De vloot ligt klaar. Honderden vlaggen wapperden gisteren aan het touwwerk van de Scheveningse loggers. Het was “vlaggetjesdag” op Scheveningen [...]

Dit is de eerste maal, nog voorzichtig tussen aanhalingstekens, dat de pers dit woord gebruikt bij het begin van de haringvisserij te Scheveningen. Noch in rederskringen noch in enigerlei andere organisatie of in het bedrijfsleven dat met de haringvisserij van doen had, was die naam eerder gebruikt. Het is op zich misschien ook niet zo belangrijk maar de uitdrukking ‘Vlaggetjesdag’ zou niet meer verdwijnen. Op 13 mei vertrok vanuit Scheveningen een vloot van 56 loggers naar de haringgronden. Duizenden waren er op de been. Op de loggers bleven de vlaggen in top. Daardoor konden buitengaats vanaf de reddingsboot ‘Neeltje Jacoba’ door een filmoperateur opnamen van de vloot worden gemaakt. Waar kwam dit feestelijke vertoon bij het vertrek van de haringloggers toch zo plotseling vandaan?

De ‘Stichting Scheveningen tot viering van Nationale en Oranjegedenkdagen’ was in de eerste twee naoorlogse jaren zeer actief rond de 5e mei. Op 17 juni 1947 was het deze stichting, meestal ‘Stichting Scheveningen’ genoemd, die bij de ‘Redersvereniging Scheveningen’ aanklopte. Zij vroeg de Redersvereniging om voor ƒ 125,00 bij te dragen in de gemaakte kosten. Om welke kosten het ging is niet achterhaald. Was het de Stichting Scheveningen die het vlagvertoon op 9 mei en de filmopnamen op 13 mei had georganiseerd maar dan als verlengstuk van de Oranje- en bevrijdingsfeesten? De Redersvereniging zelf vermeldt in haar verslagen niets over de gepavoiseerde vloot en nog minder over bepaalde filmopnamen of een Vlaggetjesdag. Vermeldenswaardig is wellicht dat Vlaardingen dat jaar een met name genoemde Vlaggetjesdag kende.

Klik hier voor meer

banner